Wat als mijn kind een ‘label’ krijgt?

Vaak krijg ik de vraag waarom we eerst goed willen kijken wat er aan de hand is voordat we met behandeling starten. Vooral ouders die hun kind bij ons aanmelden zijn daar onzeker over. Ze zijn bang dat hun kind een label krijgt en kunnen daar niet goed de gevolgen van overzien. Als voorbeeld gebruik ik hier de diagnose autisme of liever gezegd een autisme spectrum stoornis.

Kas* wordt bij ons aangemeld als hij bijna 10 jaar is. Kas is altijd een bijzonder kind geweest. Hij is bang voor vuurwerk en wil niet naar kinderfeestjes, omdat ze daar misschien ballonnen laten knappen. Als baby schrikt hij van harde geluiden en als dreumes is hij snel van slag, maar is hij  ook erg lief en kan heel zoet zichzelf vermaken. Kas is enig kind, dus kunnen zijn ouders hem niet vergelijken met andere kinderen. Ze spreken er over met de consultatiebureau arts, de peuterspeelzaal juf en de leerkrachten op school. ‘Hij is vast hoogsensititief’ en ‘hij heeft behoefte aan structuur’ krijgen ze te horen wanneer ze ongerust zijn over zijn gedrag en ontwikkeling. Opmerkingen die sussen, maar Kas niet helpen. In groep vier gaat hij naar een kindercoach, omdat hij vaak conflicten op het plein heeft. De conflicten zijn nu minder, maar hij staat vaak alleen in de pauze. Nu hij naar groep 7 gaat heeft de intern begeleider op school geadviseerd om hem te laten onderzoeken, omdat de middelbare school in zicht komt. Wanneer ik ze spreek zijn ze onzeker over de aanmelding. Voor hen is hij goed zoals hij is. Wanneer ik Kas met zijn ouders uit de wachtkamer haal zie ik een verlegen jongen met zijn capuchon ver over zijn hoofd getrokken. Hij wil hier liever niet zijn. Na een tijdje krijg ik wat meer contact, maar zie ik ook dat hij snel weg kijkt. Ik vraag of hij het vervelend vindt om mij aan te kijken. Hij vertelt dat hij altijd te horen krijgt dat hij iemand moet aankijken, van de juf, zijn ouders, opa en oma en dat hij dat maar stom vindt.

Na intake, een uitgebreide ontwikkelingsanamnese** met ouders en gedragsobservatie vragenlijsten voor ouders en leerkracht bespreek ik met zijn ouders dat ik vermoed dat er sprake is van autisme. Ze vertellen me dat ze daar zelf ook al eens aan gedacht hebben. Een broer van vader is altijd een buitenbeentje geweest en de hele familie vermoedt dat hij autisme heeft. Kas zelf reageert verrassend goed. Hij is (tot verbazing van ouders) al vaker uitgescholden voor autist, dus nu wil hij ook wel weten of hij het heeft.

Ouders vragen me wat het toevoegt om de diagnose te weten. Ik geef aan dat het niet om het label gaat, maar om het gedrag te leren begrijpen en dat het dan ook fijn is dat je het gedrag kunt vatten in een naam. Als je het gedrag beter leert begrijpen kan Kas ook leren zichzelf beter te begrijpen. Ouders kunnen handvatten krijgen hoe ze met hem om kunnen gaan en het zelfde geldt voor school. Ik zeg altijd dat er zoveel vormen van autisme zijn als er mensen met autisme zijn en dat het daarom ook goed is om verder onderzoek*** te doen.

Tot dusver zijn er al allerlei uitspraken over Kas gedaan en heeft hij zelf al veel commentaar gekregen. Dat doet ook wat met zijn zelfbeeld. Kas blijkt erg onzeker te zijn en geen positief zelfbeeld te hebben. Ook schat hij zijn schoolse vaardigheden laag in, terwijl hij het goed doet op school.

De ouders gaan akkoord met onderzoek, omdat Kas zelf dit ook graag wil. Na uitgebreid onderzoek wordt duidelijk dat er inderdaad sprake is van een autisme spectrum stoornis bij een hoge intelligentie. Kas is verbaasd over zijn hoge intelligentie, want hij dacht eigenlijk dat hij dom was. Dat hij autisme heeft maakt hem blij en verdrietig tegelijk. Ook voor ouders vallen er puzzelstukjes op hun plaats, maar is er ook zorg om de toekomst. Zowel ouders als Kas krijgen uitleg over de stoornis en op school bespreken we wat nodig is om Kas meer te kunnen laten profiteren van het onderwijs. Er zullen best wat hobbels op zijn pad komen, maar weten wat er aan de hand is helpt om de hobbels te kunnen nemen.

*De naam Kas is gefingeerd.

** Vragen over zwangerschap, bevalling, vroege ontwikkeling en verloop van de ontwikkeling

***https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Richtlijnen/Zoek-een-richtlijn (richtlijn diagnostiek autisme bij jeugdigen)

Minder piekeren? Doe iets met je handen!

Met je handen iets maken is goed voor je. Onze handen worden in een groot deel van onze hersenen gerepresenteerd in met name de hersenschors (buitenste schil van ons brein). De moderne mens zit vooral in zijn hoofd, we denken vaak meer dan we doen.
Met je handen iets maken of in de aarde wroeten zorgt voor meer balans. Bovendien doe je bij iets maken meer beroep op de verbeelding. In je werkgeheugen is dan minder ruimte om te piekeren bijvoorbeeld. Hierdoor kun je meer ontspannen.

Bovenstaande schreef ik in antwoord op een vraag van Sarah Ruijter, oprichter van September18 over het effect van creatief bezig zijn op hoe je je voelt. Ik word zelf heel blij van de mooie materialen waar zij mee werken. Neem vooral een kijkje op September18!

De zorg voor onze kinderen

Drie jaar geleden schreef ik een blog naar aanleiding van de documentaire ‘Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging’ een blog over mijn zorgen om de jeugdzorg. Na recente incidenten in Castricum met kinderen uit de gesloten jeugdzorg die in het voormalige Antonius wonen deel ik het nogmaals.

Onlangs was een prachtige documentaire te zien op NPO (https://www.npo.nl/2doc/15-05-2017/KN_1690883) over het Transferium in Heerhugowaard ‘Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging’.  Het was confronterend te zien dat sommige kinderen al zoveel op hun bordje hebben in hun jonge leven, terwijl anderen in een stabiele beschermde omgeving opgroeien. Ik kon het bijna niet verdragen dat deze kinderen achter gesloten deuren moesten zitten. Tegelijkertijd wist ik dat het in het belang van deze kinderen is en dat een team van deskundigen samen met de rechter keer op keer beoordeelt of de jongeren terug naar de samenleving kunnen. 

De rechter plaatst kinderen in het Transferium om te voorkomen dat ze (verder) in de problemen komen (www.transferiumjeugdzorg.nl). Sommige kinderen hebben een temperament  waarbij ze meer vatbaar zijn om te ontsporen, anderen groeien op in een omgeving die hun ontwikkeling ernstig bedreigt. Vechtscheidingen, alcohol- en drugsgebruik van ouders, verwaarlozing, mishandeling en misbruik zijn enorm beschadigend.

Zelf werk ik met kinderen die om diverse redenen aangemeld worden voor de jeugd-ggz. Kinderen die zo angstig zijn dat ze niet meer naar school durven, kinderen die suïcidale gedachten hebben, maar ook kinderen die onvoldoende profiteren van het onderwijs. Soms krijgen ze diagnoses als ADHD of autisme. Altijd staat de samenwerking met ouders voorop en betrekken we de school bij onderzoek en behandeling. Gezamenlijk proberen we de stagnatie in de ontwikkeling weer op gang te helpen. Daarnaast proberen we de ouder-kind interactie zo stabiel mogelijk te houden of als dat nog niet zo is te krijgen.

Sinds 2015 valt deze zorg onder de verantwoordelijkheid van de gemeentes. Het idee was dat gemeentes de zorg beter kunnen monitoren en meer passend kunnen bieden. Opvoedondersteuning waar mogelijk en psychiatrische behandeling zo nodig. De afgelopen paar jaar hebben we gemerkt dat het zo eenvoudig niet ligt. Aan de passende zorg gaat steeds vaker een zoektocht naar de juiste zorgverleners vooraf. Doordat de transitie ook een bezuinigingsmaatregel is, wordt zorg zuinig ingekocht met als gevolg enorme wachtlijsten in de zorg.

Ondertussen groeit mijn ongerustheid over hoe de jeugd-ggz nu georganiseerd is. Afgelopen week wilde ik een kind verwijzen naar een kinderpsychiatrische instelling voor meer specialistische zorg. In het overleg met desbetreffende gemeente hierover merkte ik dat de kosten leidend waren in plaats van het belang van het kind. Het is ondenkbaar dat we een kind bij wie een kinderarts in een regionaal ziekenhuis acute leukemie heeft geconstateerd, niet doorsturen naar een gespecialiseerd kinder-oncologisch centrum. In de jeugd-ggz gebeurt dit dagelijks en krijgen kinderen niet de zorg die ze nodig hebben.

De documentaire van Rolf Orthel heeft voor mijzelf nog meer duidelijk gemaakt dat we meer moeten  investeren in de jeugd-ggz. Het gaat om te voorkómen dat gedwongen opnames uiteindelijk het laatste redmiddel zijn. Hoe goed de zorg ook is bij Transferium Heerhugowaard, geen kind zou gesloten moeten hoeven zitten.

Een mens lijdt het meest door het lijden wat men vreest (en soms op komt dagen)

Ze zat er verslagen bij, een beetje grauwe kleur, vermoeide ogen en een trieste blik. De huisarts had haar verwezen, omdat ze voor de zoveelste keer om slaapmedicatie had gevraagd. Hij vond dat het maar eens klaar moest zijn met de ‘pammen’ en ze moest nu maar eens gaan onderzoeken waarom ze zo slecht sliep en zoveel piekerde. Een mens lijdt het meest onder het lijden dat men vreest (en nooit op komt dagen… nou ja, soms wel). Ze vreesde veel lijden, maar had ook wel het nodige mee gemaakt. Ze was jong haar vader verloren en tot twee keer toe door haar partner verlaten. Een van de kinderen was inmiddels het huis uit en met de ander kreeg ze moeilijk contact. Hij ging zijn eigen gang. Elke ochtend pakte ze zichzelf weer aan om naar het werk te gaan. Als de dood dat ze dat ook zou verliezen. In het bedrijf werd de zoveelste reorganisatie aangekondigd. Ik zeg dat het ook wel veel is. Ik vraag haar naar betere tijden. Het kost haar moeite om deze zich te herinneren. Meteen vertelt ze verder dat ze al zoveel heeft geprobeerd. Een coach via het werk, familie opstellingen in het gezondheidscentrum, yoga met een vriendin, maar dat was echt niets voor haar. Ze had op mijn website over mindfulness gelezen, maar dat was ook niks voor haar. ‘Dat ga ik echt niet doen’. Het lucht haar wel op om te vertellen, maar daarmee gaat het piekeren niet stoppen en de vermoeidheid niet weg. Ik doe een oefening met haar om te laten ervaren dat ze niet haar gedachten is, maar dat ze haar gedachten heeft. Ze merkt dat je die gedachten kunt ervaren als golven die het strand oprollen en zich ook weer terugtrekken. Ook dat ze vaak vast zit in haar gedachten en gevoelens, alsof het een kluwen is. De volgende sessie vraag ik haar of ze bereid is opnieuw een oefening te doen. Ze vindt het spannend, maar is nieuwsgierig. De oefening gaat om het accepteren van het nare gevoel en het te observeren alsof het een kunstwerk is. Wanneer we ons rot voelen willen we dat gevoel niet en gaan we er tegen vechten. Wanneer het gevoel er mag zijn en we er minder tegen vechten wordt het nare gevoel minder beladen. Na het overlijden van haar vader heeft ze geleerd nare gebeurtenissen uit de weg te gaan en als het niet anders kan er tegen te vechten. Het is een openbaring voor haar dat juist accepteren van wat naar is ruimte geeft om te kijken naar wat er wel is. Ze gaat beter slapen en piekert minder. De volgende sessies gebruiken we om te kijken hoe ze het liefst in het leven wil staan, wat echt belangrijk voor haar is. Bijvoorbeeld dat ze beter contact met haar jongste kind wil. Blij vertelt ze dat ze samen langs het strand gelopen hebben en daarna in het zonnetje koffie gedronken hebben bij een strandtent.

(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)

Hoe we buren werden

Waar wij nu staan heette

hier

en de verte noemde men

ginder.

 

Tot het plots door lijnen

werd verdeeld

in ons en andermans gras.

 

Een streep veel dunner nog dan niks

bepaalde dat wij voortaan hetzelfde

en iedereen daarachter,

echt heel anders was.

 

Uit: ’s Nachts verdwijnt de wereld van Jaap Robben

 

Toen ik dit gedichtje las moest ik denken aan de relational frame theory (RFT) of in goed Nederlands de theorie over de aanleg die wij als mensen hebben om taal te kunnen leren en het leggen van relaties door die taal. Ook hebben we de mogelijkheid om taal te gebruiken voor het begrijpen van ons gedrag. De gedragstheorie (behaviourisme) beschrijft hoe we gedrag kunnen (aan)leren en afleren. De RFT helpt ons bij het inzicht krijgen waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Hoe past dit bij dit gedichtje? Jaap Robben heeft het over ‘hier’ als ‘waar wij nu staan’. Dan is er dus ook een ‘ginder’. Dat is wat we in de verte zien. Als je het begrip hier leert, dan leer je ook het woord daar of ginder of ergens anders. Later heeft hij het over het trekken van een streep die bepaalde dat je er achter anders was. Dan is er dus ook een voor de streep. Voor peuters is het verschil tussen nu en straks nog heel lastig, maar ze leren het wel door het gedrag wat wij er bij laten zien. ‘We gaan straks fruit eten, maar nu ga je nog lekker even spelen’. Of ‘mama gaat straks met je naar buiten, maar we gaan nu eerst een broodje eten’. De RFT vormt de theoretische basis van de acceptance en commitment therapy (ACT) waar ik in de praktijk veel gebruik van maak. Als ik gepest ben als kind leer ik daarbij ‘ze vinden me niet leuk’. Daaraan kan zomaar de gedachte ‘ik ben niet leuk’ gekoppeld worden. Of die gedachte waar is is maar de vraag, maar hij zit er wel. Er is een verschil tussen de werkelijkheid (wat we daadwerkelijk meemaken) en onze gedachtenwereld (de wereld die we creëren met taal). Zo leren we in de loop van ons leven allemaal van dit soort verbanden.  Door oefeningen of spelen met de taal kun je leren die gedachten (of frames) minder serieus te nemen (er zijn namelijk heel veel andere mensen die mij wél leuk vinden bijvoorbeeld) en leer je anders naar deze gedachten te kijken. In die zin is ACT een aanvulling op de cognitieve gedragstherapie.

Normale reactie op een abnormale situatie

Aan het einde van mijn werkweek merkte ik dat ik moe was. Ik was sinds de maatregelen van het RIVM met betrekking tot het Corona virus vooral bezig met hoe ik de praktijk draaiende kon houden zonder face to face contacten, hoe toch mensen en gezinnen te kunnen blijven helpen. Tijdens het geruststellen van de ander merkte ik dat ik zelf af en toe me ook angstig voelde. Niet zo gek dat ik moe was. Toen ik me probeerde te ontspannen tijdens het werken in de tuin dit weekend bedacht ik me hoe deze periode moet zijn voor politici, landelijk, maar ook op gemeentelijk niveau. En kijkend naar aangepaste televisie programma’s dacht ik aan de journalisten en verslaggevers die de hele dag bezig zijn met het nieuws en niet even afstand kunnen nemen. Bij één van de praatprogramma’s schoof een spoedeisende hulp arts aan die in het oog van de storm gesprekken over het levenseinde moest voeren. Hij roemde zijn collega’s, de verpleegkundigen en andere artsen. Ongelooflijk wat zij doen en proberen zo goed mogelijk medisch te handelen met een virus dat nog zo onbekend is.
In de periode dat ik in het brandwondencentrum werkte heb ik me verdiept in het verschijnsel dat je door te werken met mensen die trauma meemaken je zelf getraumatiseerd kunt raken of te wel secundaire traumatisering. Hier moet ik nu ook weer aan denken. Hoe voorkomen we dat al die zorgverleners in de ziekenhuizen, maar ook de thuiszorgmedewerkers, de journalisten en de politici secundair getraumatiseerd raken? Toevallig zijn dit allemaal beroepen waarbij mensen zich dienstbaar opstellen, om het land te dienen, goede informatievoorziening te leveren en te helpen, zorg te leveren. Maar het zijn ook mensen met eigen emoties, bang om besmet te raken, bang voor hun familie, onzeker over de toekomst. Werken onder deze hoogspanning vraagt veel van je en het kost meer tijd om te ontspannen. Tijd die er eigenlijk niet is.
Op de werkvloer is het belangrijk dat je elkaar als collega’s steunt in de manier waarop je je werk doet. De onvoorwaardelijke steun van je collega’s is een belangrijke beschermende factor bij het voorkomen van secundaire traumatisering. Een andere beschermende factor is dat je je emoties durft toe te laten, het is oké dat je bang bent, oké dat het je raakt. En dat je dat kunt delen met anderen, je collega’s of je naasten. Ik weet van sommige verpleegkundigen dat ze in isolatie leven, omdat ze samenleven met iemand met een kwetsbare gezondheid. Dan is het des te belangrijker om contact te zoeken, ook al is het via beeldbellen. Ook al voel je de noodzaak om voortdurend beschikbaar te zijn, zorg dat je voldoende rust en afstand kan nemen. We weten niet hoe lang dit gaat duren, des te belangrijker om goed voor je zelf te zorgen.
Terwijl ik dit schrijf hoor ik dat een Duitse politicus zichzelf van het leven heeft beroofd. Geen idee of er al wat anders bij hem speelde, maar zorgelijk vind ik het wel. Wat wij als samenleving kunnen doen is in je directe omgeving oog te hebben voor degene die in zo’n kwetsbaar beroep werkt en op sociale media steunend te zijn en minder eisend. We moeten dit samen doen.

Grens

Ze slaapt slecht, piekert veel en nu zit ze bij mij in de spreekkamer.

In augustus waren ze naast hen komen wonen. Het was zomer, prachtig weer en ze waren veel buiten geweest. Hartelijke mensen waren het, die gemakkelijk contact maakten. Ze gingen voortvarend klussen in huis en tuin en hadden ook ideeën over de erfafscheiding. De trouwe coniferen die er al twintig jaar stonden wilden ze graag vervangen voor een praktische schutting. Aanvankelijk waren het gezellige praatjes. Ze had hun de snoeischaar geleend, de vouwladder en de maaimachine. Zij boden aan tegelijkertijd ook bij hen te snoeien en opperden een gezamenlijke buitenlamp in de steeg. De nieuwe buurman zou hem wel installeren, geen enkel probleem. Ze werden uitgenodigd voor de barbecue waarbij het fijn was als ze hun eigen salades en vlees of vis mee wilden nemen, want dan wisten ze zeker dat ze lekker aten. Stiekem verlangde ze naar de herfst, naar wind en kou zodat ze ze niet steeds tegen zou komen. De toon van de buren veranderde toen ze aangaven gehecht te zijn aan de coniferen en het zonde vonden om ze zomaar weg te doen. Ze hadden toch helpen snoeien en toen ze een weekje weg waren de tuin gesproeid? Ze kon zich ineens voorstellen dat mensen naar de rijdende rechter gingen.

Het was inmiddels oktober en de buurman kwam via de achterdeur binnen met een zak gemengde tulpenbollen. Hij had ze in de aanbieding gekocht en had ook voor hun een zak. Hij zou ze ook wel even voor ze planten. Ze zei dat ze eigenlijk niet van tulpen hield, dat ze het zulke stakerige bloemen vond. Hij wuifde het weg en begon met planten ondertussen orerend hoe mooi dat zou staan in het voorjaar. Haar keel voelde alsof hij dicht zat en haar hart bonkte in haar keel. Hoe kon ze nu duidelijk maken dat ze niet van dit aardige gebaar gediend was zonder hem te kwetsen?

De volgende dag sprak ze de buurvrouw en probeerde haar te vertellen dat ze het heel aardig vond, maar dat ze liever baas was in eigen tuin. Het werd geen gezellig gesprek. Hoe kon ze zo ondankbaar zijn, ze hadden alles voor hun buren over want een goed burencontact was belangrijk. Er kwamen nog meer verwijten. Dat ze soms alleen maar groette en niet even een praatje maakte.

Ik vertel haar dat sommige mensen met op het oog aardig gedrag heel grensoverschrijdend kunnen zijn. Als de ander dan zijn grenzen aangeeft wordt dat niet gewaardeerd, want ze hadden het toch zo aardig bedoeld? Dan zijn ze gekwetst en niet goed aanspreekbaar op hun gedrag. Vaak zijn dit ook mensen die aan de ene kant heel erg op zoek zijn naar bevestiging (‘kijk mij eens aardig zijn!’) en anderzijds vinden dat ze het gelijk altijd aan hun kant hebben (‘ik bedoel het zo goed en ze snappen me niet!’). Het enige wat helpt is rustig en duidelijk te blijven. Het contact zal er door minder hartelijk worden, maar dat wordt het sowieso toch.

(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)

De bril van een ander

Ik krijg van mijn kinderen altijd commentaar dat ik te veel foto’s maak. Door de digitale fotografie maken we gemakkelijker foto’s. Ik ben benieuwd wat het effect is van deze fotocultuur op de ontwikkeling van het zelfbeeld op langere termijn. Kinderen die nu opgroeien zijn volledig vertrouwd met het maken van foto’s en zien zichzelf veel terug. Allerlei apps maken er grappige of vervormde foto’s van of juist een mooi filter. Gaat een kind zichzelf daardoor meer accepteren zoals het is of wordt het meer kritisch? Ons zelfbeeld gaat over hoe we onszelf zien met betrekking tot ons uiterlijk en ons karakter. We ontwikkelen ons zelfbeeld doordat we opgroeien met anderen om ons heen. Opmerkingen over hoe we er uit zien en hoe we ons gedragen vormen het beeld dat we van ons zelf hebben. Collega Steven Pont omschrijft het als klei die onze oren binnenkomt en van die klei bouwen we ons zelfbeeld. Ik vind dat een mooi beeld, je kunt het gedurende je leven bijwerken, work in progress.

Hier moest ik aan denken toen een jongedame van bijna achttien jaar mijn spreekkamer binnenkwam. Ze vertelde dat ze zich niet goed kan concentreren op haar studie en slecht slaapt. Ook heeft ze steeds meer moeite om de deur uit te gaan voor college. Op aandringen van haar moeder heeft ze zich aangemeld. Ik zie een meisje dat er volstrekt normaal uit ziet met een mooie bos krullen en prachtige ogen. Ze vindt zichzelf lelijk en maakt zich druk om haar kleding. Ook voor de afspraak bij mij heeft ze zich tot twee keer toe om gekleed. Ze vertelt dat ze voortdurend het gevoel heeft dat mensen naar haar kijken. Ze is bang dat haar broek niet goed zit, dat mensen zien dat haar ene oog groter is dan het andere. Ik leg haar uit dat ze door de bril van een ander naar zichzelf kijkt en ook nog de bril waarvan zij denkt dat de ander die op heeft. Wanneer ik haar vraag of ze zelf ook zo op anderen let reageert ze een beetje verbaasd. Bij een ander vindt ze het niet erg dat een kledingstuk niet helemaal goed zit. Dan is het mijn beurt om verbaasd te reageren.

De cliënt na haar, een man van bijna dertig jaar, is heel erg bezig met altijd maar het goede doen. Hij mag van zichzelf geen fouten maken op zijn werk, thuis of bij vrienden. Zijn functioneringsgesprekken zijn positief en in de vriendenkring wordt hij gewaardeerd om zijn behulpzaamheid. Hij zegt nooit nee. Hij is verwezen door de bedrijfsarts. De griep van een maand geleden gaat maar niet over. Dat de bedrijfsarts zei dat hij misschien een burn-out heeft vindt hij moeilijk te verteren. Ook bij hem moest ik denken aan de ontwikkeling van het zelfbeeld. Zowel de jongedame als de man van bijna dertig hebben last van een te hoog ideaal zelfbeeld.

De klus bij beide wordt dat ze leren houden van zichzelf zoals ze zijn en niet zoals ze denken dat ze van een ander moeten zijn.

(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)

Dood is erger

Laatst maakte ik een post voor de sociale media ‘gelukkig zijn is niet een constante toestand, maar een piek op de golf van je getelde zegeningen’. Dit omdat boeken met in de titel het woord geluk niet aan te slepen zijn en ik vaak in de praktijk ook hoor ‘als mijn kind maar gelukkig is’ of ‘ik wil weer gelukkig worden’. Gelukkig zijn is heerlijk! De eerste keer je pasgeborene tegen je aan houden, je lief die zegt dat hij van je houdt of dat moment op een  zonovergoten terras met vrienden en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Sommige mensen hebben meer talent om dit gevoel wat langer vast te houden en bij anderen vloeit het net zo snel weer weg als het kwam. Na het eerste geluksgevoel meteen ‘ja maar’ denken. Een volle kamer op een verjaardag en toch teleurgesteld zijn dat net die ene vriendin er niet is. Met je gezin op vakantie, maar toch teleurgesteld zijn dat de camping niet was wat je er van verwacht had.

Mensen die langer kunnen surfen op de golf van getelde zegeningen zien vaak beter wat er wel is en minder wat er niet is. Mensen die meteen in het water liggen zien vooral die piek in de verte en vergeten dat ze op dat moment op hun eigen golf aan het surfen zijn. Het is niet zo gek. De oermens was geprogrammeerd om te onthouden wat er niet goed ging of waar potentieel gevaar was om te kunnen overleven. Voor de moderne mens is dit echter minder nodig.

En wat als er dan echt tegenslag is, hoe ga je daar dan mee om? Ook daar verschillen mensen in. Sommige mensen zijn letterlijk lam geslagen, anderen gaan afleiding zoeken of vermijden. Weer andere mensen zoeken juist naarstig naar oplossingen en gaan in de piekermodus. Een belangrijke manier van omgaan met tegenslag is jezelf geruststellen. Mijn oma zei altijd: ‘dood is erger’ en zij kon het weten. Ze had gelijk. Een aanrijding met alleen  blikschade is rot, maar dood is erger.

Zelf had ik de afgelopen weken ook behoorlijk wat tegenslag. Een samenwerking met een andere psychologenpraktijk heb ik op het laatste moment niet door laten gaan. Ik heb dit zinnetje toen vaak in mijn hoofd gehoord. Het maakte dat ik de tegenslag aan kon. Tijd om te vermijden had ik niet, want ik moest snel andere praktijkruimte huren (en opknappen). Wat ook helpt is er met anderen over praten. Ik heb collega’s van wie ik veel steun kreeg en het thuisfront was er voor me. Wat ik ook merkte was dat ik snel zag wat de voordelen waren van deze keuze, dus niet alleen het verlies van wat er niet zou komen. Als je nooit waagt val je niet, maar mis je ook veel moois.

De grootste hectiek is inmiddels achter de rug en het stof is nog niet helemaal neer gedaald, maar ik ben er niet dood aan gegaan. Inderdaad oma, dood is erger.