De zorg voor onze kinderen
Drie jaar geleden schreef ik een blog naar aanleiding van de documentaire ‘Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging’ een blog over mijn zorgen om de jeugdzorg. Na recente incidenten in Castricum met kinderen uit de gesloten jeugdzorg die in het voormalige Antonius wonen deel ik het nogmaals.
Onlangs was een prachtige documentaire te zien op NPO (https://www.npo.nl/2doc/15-05-2017/KN_1690883) over het Transferium in Heerhugowaard ‘Ik ben geen probleemkind, ik ben een uitdaging’. Het was confronterend te zien dat sommige kinderen al zoveel op hun bordje hebben in hun jonge leven, terwijl anderen in een stabiele beschermde omgeving opgroeien. Ik kon het bijna niet verdragen dat deze kinderen achter gesloten deuren moesten zitten. Tegelijkertijd wist ik dat het in het belang van deze kinderen is en dat een team van deskundigen samen met de rechter keer op keer beoordeelt of de jongeren terug naar de samenleving kunnen.
De rechter plaatst kinderen in het Transferium om te voorkomen dat ze (verder) in de problemen komen (www.transferiumjeugdzorg.nl). Sommige kinderen hebben een temperament waarbij ze meer vatbaar zijn om te ontsporen, anderen groeien op in een omgeving die hun ontwikkeling ernstig bedreigt. Vechtscheidingen, alcohol- en drugsgebruik van ouders, verwaarlozing, mishandeling en misbruik zijn enorm beschadigend.
Zelf werk ik met kinderen die om diverse redenen aangemeld worden voor de jeugd-ggz. Kinderen die zo angstig zijn dat ze niet meer naar school durven, kinderen die suïcidale gedachten hebben, maar ook kinderen die onvoldoende profiteren van het onderwijs. Soms krijgen ze diagnoses als ADHD of autisme. Altijd staat de samenwerking met ouders voorop en betrekken we de school bij onderzoek en behandeling. Gezamenlijk proberen we de stagnatie in de ontwikkeling weer op gang te helpen. Daarnaast proberen we de ouder-kind interactie zo stabiel mogelijk te houden of als dat nog niet zo is te krijgen.
Sinds 2015 valt deze zorg onder de verantwoordelijkheid van de gemeentes. Het idee was dat gemeentes de zorg beter kunnen monitoren en meer passend kunnen bieden. Opvoedondersteuning waar mogelijk en psychiatrische behandeling zo nodig. De afgelopen paar jaar hebben we gemerkt dat het zo eenvoudig niet ligt. Aan de passende zorg gaat steeds vaker een zoektocht naar de juiste zorgverleners vooraf. Doordat de transitie ook een bezuinigingsmaatregel is, wordt zorg zuinig ingekocht met als gevolg enorme wachtlijsten in de zorg.
Ondertussen groeit mijn ongerustheid over hoe de jeugd-ggz nu georganiseerd is. Afgelopen week wilde ik een kind verwijzen naar een kinderpsychiatrische instelling voor meer specialistische zorg. In het overleg met desbetreffende gemeente hierover merkte ik dat de kosten leidend waren in plaats van het belang van het kind. Het is ondenkbaar dat we een kind bij wie een kinderarts in een regionaal ziekenhuis acute leukemie heeft geconstateerd, niet doorsturen naar een gespecialiseerd kinder-oncologisch centrum. In de jeugd-ggz gebeurt dit dagelijks en krijgen kinderen niet de zorg die ze nodig hebben.
De documentaire van Rolf Orthel heeft voor mijzelf nog meer duidelijk gemaakt dat we meer moeten investeren in de jeugd-ggz. Het gaat om te voorkómen dat gedwongen opnames uiteindelijk het laatste redmiddel zijn. Hoe goed de zorg ook is bij Transferium Heerhugowaard, geen kind zou gesloten moeten hoeven zitten.
kinderen moeten we leren denken hoe te denken en niet wát te denken

Mooie tekst die ik op het internet tegen kwam. Zo belangrijk en pleidooi voor meer filosofie op school!
Een mens lijdt het meest door het lijden wat men vreest (en soms op komt dagen)
Ze zat er verslagen bij, een beetje grauwe kleur, vermoeide ogen en een trieste blik. De huisarts had haar verwezen, omdat ze voor de zoveelste keer om slaapmedicatie had gevraagd. Hij vond dat het maar eens klaar moest zijn met de ‘pammen’ en ze moest nu maar eens gaan onderzoeken waarom ze zo slecht sliep en zoveel piekerde. Een mens lijdt het meest onder het lijden dat men vreest (en nooit op komt dagen… nou ja, soms wel). Ze vreesde veel lijden, maar had ook wel het nodige mee gemaakt. Ze was jong haar vader verloren en tot twee keer toe door haar partner verlaten. Een van de kinderen was inmiddels het huis uit en met de ander kreeg ze moeilijk contact. Hij ging zijn eigen gang. Elke ochtend pakte ze zichzelf weer aan om naar het werk te gaan. Als de dood dat ze dat ook zou verliezen. In het bedrijf werd de zoveelste reorganisatie aangekondigd. Ik zeg dat het ook wel veel is. Ik vraag haar naar betere tijden. Het kost haar moeite om deze zich te herinneren. Meteen vertelt ze verder dat ze al zoveel heeft geprobeerd. Een coach via het werk, familie opstellingen in het gezondheidscentrum, yoga met een vriendin, maar dat was echt niets voor haar. Ze had op mijn website over mindfulness gelezen, maar dat was ook niks voor haar. ‘Dat ga ik echt niet doen’. Het lucht haar wel op om te vertellen, maar daarmee gaat het piekeren niet stoppen en de vermoeidheid niet weg. Ik doe een oefening met haar om te laten ervaren dat ze niet haar gedachten is, maar dat ze haar gedachten heeft. Ze merkt dat je die gedachten kunt ervaren als golven die het strand oprollen en zich ook weer terugtrekken. Ook dat ze vaak vast zit in haar gedachten en gevoelens, alsof het een kluwen is. De volgende sessie vraag ik haar of ze bereid is opnieuw een oefening te doen. Ze vindt het spannend, maar is nieuwsgierig. De oefening gaat om het accepteren van het nare gevoel en het te observeren alsof het een kunstwerk is. Wanneer we ons rot voelen willen we dat gevoel niet en gaan we er tegen vechten. Wanneer het gevoel er mag zijn en we er minder tegen vechten wordt het nare gevoel minder beladen. Na het overlijden van haar vader heeft ze geleerd nare gebeurtenissen uit de weg te gaan en als het niet anders kan er tegen te vechten. Het is een openbaring voor haar dat juist accepteren van wat naar is ruimte geeft om te kijken naar wat er wel is. Ze gaat beter slapen en piekert minder. De volgende sessies gebruiken we om te kijken hoe ze het liefst in het leven wil staan, wat echt belangrijk voor haar is. Bijvoorbeeld dat ze beter contact met haar jongste kind wil. Blij vertelt ze dat ze samen langs het strand gelopen hebben en daarna in het zonnetje koffie gedronken hebben bij een strandtent.
(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)
Hoe we buren werden
Waar wij nu staan heette
hier
en de verte noemde men
ginder.
Tot het plots door lijnen
werd verdeeld
in ons en andermans gras.
Een streep veel dunner nog dan niks
bepaalde dat wij voortaan hetzelfde
en iedereen daarachter,
echt heel anders was.
Uit: ’s Nachts verdwijnt de wereld van Jaap Robben
Toen ik dit gedichtje las moest ik denken aan de relational frame theory (RFT) of in goed Nederlands de theorie over de aanleg die wij als mensen hebben om taal te kunnen leren en het leggen van relaties door die taal. Ook hebben we de mogelijkheid om taal te gebruiken voor het begrijpen van ons gedrag. De gedragstheorie (behaviourisme) beschrijft hoe we gedrag kunnen (aan)leren en afleren. De RFT helpt ons bij het inzicht krijgen waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Hoe past dit bij dit gedichtje? Jaap Robben heeft het over ‘hier’ als ‘waar wij nu staan’. Dan is er dus ook een ‘ginder’. Dat is wat we in de verte zien. Als je het begrip hier leert, dan leer je ook het woord daar of ginder of ergens anders. Later heeft hij het over het trekken van een streep die bepaalde dat je er achter anders was. Dan is er dus ook een voor de streep. Voor peuters is het verschil tussen nu en straks nog heel lastig, maar ze leren het wel door het gedrag wat wij er bij laten zien. ‘We gaan straks fruit eten, maar nu ga je nog lekker even spelen’. Of ‘mama gaat straks met je naar buiten, maar we gaan nu eerst een broodje eten’. De RFT vormt de theoretische basis van de acceptance en commitment therapy (ACT) waar ik in de praktijk veel gebruik van maak. Als ik gepest ben als kind leer ik daarbij ‘ze vinden me niet leuk’. Daaraan kan zomaar de gedachte ‘ik ben niet leuk’ gekoppeld worden. Of die gedachte waar is is maar de vraag, maar hij zit er wel. Er is een verschil tussen de werkelijkheid (wat we daadwerkelijk meemaken) en onze gedachtenwereld (de wereld die we creëren met taal). Zo leren we in de loop van ons leven allemaal van dit soort verbanden. Door oefeningen of spelen met de taal kun je leren die gedachten (of frames) minder serieus te nemen (er zijn namelijk heel veel andere mensen die mij wél leuk vinden bijvoorbeeld) en leer je anders naar deze gedachten te kijken. In die zin is ACT een aanvulling op de cognitieve gedragstherapie.
Normale reactie op een abnormale situatie
Aan het einde van mijn werkweek merkte ik dat ik moe was. Ik was sinds de maatregelen van het RIVM met betrekking tot het Corona virus vooral bezig met hoe ik de praktijk draaiende kon houden zonder face to face contacten, hoe toch mensen en gezinnen te kunnen blijven helpen. Tijdens het geruststellen van de ander merkte ik dat ik zelf af en toe me ook angstig voelde. Niet zo gek dat ik moe was. Toen ik me probeerde te ontspannen tijdens het werken in de tuin dit weekend bedacht ik me hoe deze periode moet zijn voor politici, landelijk, maar ook op gemeentelijk niveau. En kijkend naar aangepaste televisie programma’s dacht ik aan de journalisten en verslaggevers die de hele dag bezig zijn met het nieuws en niet even afstand kunnen nemen. Bij één van de praatprogramma’s schoof een spoedeisende hulp arts aan die in het oog van de storm gesprekken over het levenseinde moest voeren. Hij roemde zijn collega’s, de verpleegkundigen en andere artsen. Ongelooflijk wat zij doen en proberen zo goed mogelijk medisch te handelen met een virus dat nog zo onbekend is.
In de periode dat ik in het brandwondencentrum werkte heb ik me verdiept in het verschijnsel dat je door te werken met mensen die trauma meemaken je zelf getraumatiseerd kunt raken of te wel secundaire traumatisering. Hier moet ik nu ook weer aan denken. Hoe voorkomen we dat al die zorgverleners in de ziekenhuizen, maar ook de thuiszorgmedewerkers, de journalisten en de politici secundair getraumatiseerd raken? Toevallig zijn dit allemaal beroepen waarbij mensen zich dienstbaar opstellen, om het land te dienen, goede informatievoorziening te leveren en te helpen, zorg te leveren. Maar het zijn ook mensen met eigen emoties, bang om besmet te raken, bang voor hun familie, onzeker over de toekomst. Werken onder deze hoogspanning vraagt veel van je en het kost meer tijd om te ontspannen. Tijd die er eigenlijk niet is.
Op de werkvloer is het belangrijk dat je elkaar als collega’s steunt in de manier waarop je je werk doet. De onvoorwaardelijke steun van je collega’s is een belangrijke beschermende factor bij het voorkomen van secundaire traumatisering. Een andere beschermende factor is dat je je emoties durft toe te laten, het is oké dat je bang bent, oké dat het je raakt. En dat je dat kunt delen met anderen, je collega’s of je naasten. Ik weet van sommige verpleegkundigen dat ze in isolatie leven, omdat ze samenleven met iemand met een kwetsbare gezondheid. Dan is het des te belangrijker om contact te zoeken, ook al is het via beeldbellen. Ook al voel je de noodzaak om voortdurend beschikbaar te zijn, zorg dat je voldoende rust en afstand kan nemen. We weten niet hoe lang dit gaat duren, des te belangrijker om goed voor je zelf te zorgen.
Terwijl ik dit schrijf hoor ik dat een Duitse politicus zichzelf van het leven heeft beroofd. Geen idee of er al wat anders bij hem speelde, maar zorgelijk vind ik het wel. Wat wij als samenleving kunnen doen is in je directe omgeving oog te hebben voor degene die in zo’n kwetsbaar beroep werkt en op sociale media steunend te zijn en minder eisend. We moeten dit samen doen.
Grens
Ze slaapt slecht, piekert veel en nu zit ze bij mij in de spreekkamer.
In augustus waren ze naast hen komen wonen. Het was zomer, prachtig weer en ze waren veel buiten geweest. Hartelijke mensen waren het, die gemakkelijk contact maakten. Ze gingen voortvarend klussen in huis en tuin en hadden ook ideeën over de erfafscheiding. De trouwe coniferen die er al twintig jaar stonden wilden ze graag vervangen voor een praktische schutting. Aanvankelijk waren het gezellige praatjes. Ze had hun de snoeischaar geleend, de vouwladder en de maaimachine. Zij boden aan tegelijkertijd ook bij hen te snoeien en opperden een gezamenlijke buitenlamp in de steeg. De nieuwe buurman zou hem wel installeren, geen enkel probleem. Ze werden uitgenodigd voor de barbecue waarbij het fijn was als ze hun eigen salades en vlees of vis mee wilden nemen, want dan wisten ze zeker dat ze lekker aten. Stiekem verlangde ze naar de herfst, naar wind en kou zodat ze ze niet steeds tegen zou komen. De toon van de buren veranderde toen ze aangaven gehecht te zijn aan de coniferen en het zonde vonden om ze zomaar weg te doen. Ze hadden toch helpen snoeien en toen ze een weekje weg waren de tuin gesproeid? Ze kon zich ineens voorstellen dat mensen naar de rijdende rechter gingen.
Het was inmiddels oktober en de buurman kwam via de achterdeur binnen met een zak gemengde tulpenbollen. Hij had ze in de aanbieding gekocht en had ook voor hun een zak. Hij zou ze ook wel even voor ze planten. Ze zei dat ze eigenlijk niet van tulpen hield, dat ze het zulke stakerige bloemen vond. Hij wuifde het weg en begon met planten ondertussen orerend hoe mooi dat zou staan in het voorjaar. Haar keel voelde alsof hij dicht zat en haar hart bonkte in haar keel. Hoe kon ze nu duidelijk maken dat ze niet van dit aardige gebaar gediend was zonder hem te kwetsen?
De volgende dag sprak ze de buurvrouw en probeerde haar te vertellen dat ze het heel aardig vond, maar dat ze liever baas was in eigen tuin. Het werd geen gezellig gesprek. Hoe kon ze zo ondankbaar zijn, ze hadden alles voor hun buren over want een goed burencontact was belangrijk. Er kwamen nog meer verwijten. Dat ze soms alleen maar groette en niet even een praatje maakte.
Ik vertel haar dat sommige mensen met op het oog aardig gedrag heel grensoverschrijdend kunnen zijn. Als de ander dan zijn grenzen aangeeft wordt dat niet gewaardeerd, want ze hadden het toch zo aardig bedoeld? Dan zijn ze gekwetst en niet goed aanspreekbaar op hun gedrag. Vaak zijn dit ook mensen die aan de ene kant heel erg op zoek zijn naar bevestiging (‘kijk mij eens aardig zijn!’) en anderzijds vinden dat ze het gelijk altijd aan hun kant hebben (‘ik bedoel het zo goed en ze snappen me niet!’). Het enige wat helpt is rustig en duidelijk te blijven. Het contact zal er door minder hartelijk worden, maar dat wordt het sowieso toch.
(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)
De bril van een ander
Ik krijg van mijn kinderen altijd commentaar dat ik te veel foto’s maak. Door de digitale fotografie maken we gemakkelijker foto’s. Ik ben benieuwd wat het effect is van deze fotocultuur op de ontwikkeling van het zelfbeeld op langere termijn. Kinderen die nu opgroeien zijn volledig vertrouwd met het maken van foto’s en zien zichzelf veel terug. Allerlei apps maken er grappige of vervormde foto’s van of juist een mooi filter. Gaat een kind zichzelf daardoor meer accepteren zoals het is of wordt het meer kritisch? Ons zelfbeeld gaat over hoe we onszelf zien met betrekking tot ons uiterlijk en ons karakter. We ontwikkelen ons zelfbeeld doordat we opgroeien met anderen om ons heen. Opmerkingen over hoe we er uit zien en hoe we ons gedragen vormen het beeld dat we van ons zelf hebben. Collega Steven Pont omschrijft het als klei die onze oren binnenkomt en van die klei bouwen we ons zelfbeeld. Ik vind dat een mooi beeld, je kunt het gedurende je leven bijwerken, work in progress.
Hier moest ik aan denken toen een jongedame van bijna achttien jaar mijn spreekkamer binnenkwam. Ze vertelde dat ze zich niet goed kan concentreren op haar studie en slecht slaapt. Ook heeft ze steeds meer moeite om de deur uit te gaan voor college. Op aandringen van haar moeder heeft ze zich aangemeld. Ik zie een meisje dat er volstrekt normaal uit ziet met een mooie bos krullen en prachtige ogen. Ze vindt zichzelf lelijk en maakt zich druk om haar kleding. Ook voor de afspraak bij mij heeft ze zich tot twee keer toe om gekleed. Ze vertelt dat ze voortdurend het gevoel heeft dat mensen naar haar kijken. Ze is bang dat haar broek niet goed zit, dat mensen zien dat haar ene oog groter is dan het andere. Ik leg haar uit dat ze door de bril van een ander naar zichzelf kijkt en ook nog de bril waarvan zij denkt dat de ander die op heeft. Wanneer ik haar vraag of ze zelf ook zo op anderen let reageert ze een beetje verbaasd. Bij een ander vindt ze het niet erg dat een kledingstuk niet helemaal goed zit. Dan is het mijn beurt om verbaasd te reageren.
De cliënt na haar, een man van bijna dertig jaar, is heel erg bezig met altijd maar het goede doen. Hij mag van zichzelf geen fouten maken op zijn werk, thuis of bij vrienden. Zijn functioneringsgesprekken zijn positief en in de vriendenkring wordt hij gewaardeerd om zijn behulpzaamheid. Hij zegt nooit nee. Hij is verwezen door de bedrijfsarts. De griep van een maand geleden gaat maar niet over. Dat de bedrijfsarts zei dat hij misschien een burn-out heeft vindt hij moeilijk te verteren. Ook bij hem moest ik denken aan de ontwikkeling van het zelfbeeld. Zowel de jongedame als de man van bijna dertig hebben last van een te hoog ideaal zelfbeeld.
De klus bij beide wordt dat ze leren houden van zichzelf zoals ze zijn en niet zoals ze denken dat ze van een ander moeten zijn.
(gelijkenissen met de werkelijkheid berusten puur op toeval)
Dood is erger
Laatst maakte ik een post voor de sociale media ‘gelukkig zijn is niet een constante toestand, maar een piek op de golf van je getelde zegeningen’. Dit omdat boeken met in de titel het woord geluk niet aan te slepen zijn en ik vaak in de praktijk ook hoor ‘als mijn kind maar gelukkig is’ of ‘ik wil weer gelukkig worden’. Gelukkig zijn is heerlijk! De eerste keer je pasgeborene tegen je aan houden, je lief die zegt dat hij van je houdt of dat moment op een zonovergoten terras met vrienden en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Sommige mensen hebben meer talent om dit gevoel wat langer vast te houden en bij anderen vloeit het net zo snel weer weg als het kwam. Na het eerste geluksgevoel meteen ‘ja maar’ denken. Een volle kamer op een verjaardag en toch teleurgesteld zijn dat net die ene vriendin er niet is. Met je gezin op vakantie, maar toch teleurgesteld zijn dat de camping niet was wat je er van verwacht had.
Mensen die langer kunnen surfen op de golf van getelde zegeningen zien vaak beter wat er wel is en minder wat er niet is. Mensen die meteen in het water liggen zien vooral die piek in de verte en vergeten dat ze op dat moment op hun eigen golf aan het surfen zijn. Het is niet zo gek. De oermens was geprogrammeerd om te onthouden wat er niet goed ging of waar potentieel gevaar was om te kunnen overleven. Voor de moderne mens is dit echter minder nodig.
En wat als er dan echt tegenslag is, hoe ga je daar dan mee om? Ook daar verschillen mensen in. Sommige mensen zijn letterlijk lam geslagen, anderen gaan afleiding zoeken of vermijden. Weer andere mensen zoeken juist naarstig naar oplossingen en gaan in de piekermodus. Een belangrijke manier van omgaan met tegenslag is jezelf geruststellen. Mijn oma zei altijd: ‘dood is erger’ en zij kon het weten. Ze had gelijk. Een aanrijding met alleen blikschade is rot, maar dood is erger.
Zelf had ik de afgelopen weken ook behoorlijk wat tegenslag. Een samenwerking met een andere psychologenpraktijk heb ik op het laatste moment niet door laten gaan. Ik heb dit zinnetje toen vaak in mijn hoofd gehoord. Het maakte dat ik de tegenslag aan kon. Tijd om te vermijden had ik niet, want ik moest snel andere praktijkruimte huren (en opknappen). Wat ook helpt is er met anderen over praten. Ik heb collega’s van wie ik veel steun kreeg en het thuisfront was er voor me. Wat ik ook merkte was dat ik snel zag wat de voordelen waren van deze keuze, dus niet alleen het verlies van wat er niet zou komen. Als je nooit waagt val je niet, maar mis je ook veel moois.
De grootste hectiek is inmiddels achter de rug en het stof is nog niet helemaal neer gedaald, maar ik ben er niet dood aan gegaan. Inderdaad oma, dood is erger.
Waarom ik geen contracten meer sluit
Ik ben psycholoog geworden omdat ik mensen die worstelen met ingrijpende gebeurtenissen in hun leven wilde helpen. Heel lang lukte me dit met laagdrempelige zorg en kortdurende behandelingen. De afgelopen jaren viel het me steeds zwaarder.
Ik moest contracten sluiten met zorgverzekeraars die steeds meer gingen knellen en die ervoor zorgden dat ik meer bezig was met me te verantwoorden over de zorg dan met de zorg zelf.
Sinds 2006 kennen we de huidige wet op de zorgverzekering. Iedereen is verplicht verzekerd voor ziektekosten (verzekeringsplicht) in het basispakket. Zorgverzekeraars mogen niemand weigeren voor het basispakket. Elke verzekering moet een minimale basisdekking leveren (besluit zorgverzekering) en de geestelijke gezondheidszorg (ggz) maakt daar deel van uit. De ggz is onderverdeeld in de basis ggz (huisartsenzorg en eerstelijnspsychologische zorg) en specialistische ggz voor meer complexe problematiek.
Met de invoering van de basisverzekering werd de marktwerking in de zorg ingevoerd. Zorgaanbieders moeten met elkaar gaan concurreren. Zorgverzekeraars hebben zorgplicht. Ze moeten voldoende zorg inkopen voor hun verzekerden. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) stelt de maximale tarieven vast. Zorgverzekeraars mogen eenzijdig de tarieven naar beneden bijstellen en voorwaarden bepalen. Zorgverzekeraars mogen grote koepels vormen om collectief zorg in te kopen.
Zorgverleners mogen geen prijsafspraken maken en kunnen kiezen of delen. Verzekeraars bepalen niet alleen de prijs, ze schrijven ook voor wat voor soort behandelingen je mag leveren. In de basisggz kennen we vier zorgproducten (kort, middel, intensief en chronisch). In een zogenaamde prestatiemix wordt voorgeschreven dat je niet alleen maar intensieve trajecten mag doen, maar dat er een goede verdeling moet zijn tussen de producten. Bent u er nog?
Om de zorgkosten in de perken te houden worden zorgkostenplafonds bepaald. Stel je krijgt van een zorgverzekeraarskoepel een jaarbudget voor 4 korte trajecten, 4 middellange trajecten en 2 intensieve trajecten en je hebt in juni al 10 cliënten gezien van die zorgkoepel, dan mag je niet meer declareren naar die verzekering. De zorg voor cliënt nummer 11 wordt dan dus niet meer vergoed. De zorgverzekeraar gaat ervan uit dat de zorgaanbieder de kosten dan voor zijn of haar rekening neemt. In de praktijk wordt deze cliënt door verwezen naar een collega die wel ruimte heeft of de cliënt komt op een wachtlijst.
Cliënt is klant bij de zorgverzekeraar en denkt goed verzekerd te zijn, maar niet heus.
Goede zorg leveren zonder contracten kan nu gelukkig ook nog. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht. Als een verzekerde zorg nodig heeft, dan kan deze zelf een zorgaanbieder zoeken en de gemaakte kosten declareren. Voor 100% vergoeding hebben cliënten een restitutiepolis nodig (recht op vergoeding). Daarnaast heb je naturapolissen (recht op zorg). Bij een natura polis betaalt de verzekerde iets minder premie, maar heeft ook minder keuzevrijheid. De vergoeding voor niet gecontracteerde zorg is bij een natura polis lager. Maar er is een minimumvergoeding vastgesteld (hinderpaalcriterium), zodat er geen belemmering is voor de verzekerde om naar een niet gecontracteerde zorgverlener te gaan.
Voor zolang het duurt, want de zorgverzekeraar wil het liefst van de restitutie polis af. Dan is er helemaal geen sprake meer van een vrije markt.
